fabel

fabel: < L. fabula verzonnen verhaal, mythe < fari spreken.

fabriek

fabriek: < L. fabrica werkplaats, bouwwerk < faber hander, werkman.

façade

façade: < Fr. façade voorgevel < It. facciata voorgevel, voorkant < faccia gezicht < L. facies uiterlijk, voorkomen, gezicht.

facet

facet: < Fr. facette aspect, kant < L. facies uiterlijk, voorkomen, gezicht.

facsimile

facsimile: < L. fac simile < facere maken + simile het gelijk.

facteur

facteur: < Fr. facteur fabrikant, besteller, makelaar, oorzaak < factor hij die maakt.

factor

factor: < L. factor hij die maakt.

factuur

factuur: < Fr. facture uitvoering.

faculteit

faculteit: < Fr. faculté universitaire afdeling < L. facultas mogelijkheid, aanleg < facilis gemakkelijk < facere makken, doen.

failliet

failliet: < Fr. faillir falen, tekortschieten < faillite mislukking, faillissement < L. fallere breken van belofte, schenden, misleiden.!?