haak

haak: < MNl. haec aan het uiteinde van een gebogen voorwerp zoals een hoek < OEng. haca grendel.

haam

haam: < MNl. heemde < OEng. hemeðe omhulsel.

haan

haan: < OFries hana < Got. hana haan.

haar

haar: < MNl. haer van een vrouw, een vrouw, die vrouw < ONl. iro < Got. ize, izo.

haat

haat: < OFries. hat < Got. hatis toorn, haat.

hachelijk

hachelijk: < MNl. hachte hechtenis, gevangenis, gevaar, risico.

Hades

Hades: < Gr. Haidès < Aides god van de onderwereld in de Griekse mythe “de onzichbare” a- niet + idein zien.

hagel

hagel: < MNl. haghel neerslag in de vorm van ijskorrels < Got. haal.

Haiku

Haiku: < Jp. haikai no ku schrijf werk.