jaap

jaap: < MNl. jaap diepe snijwond vermoedelijk van de persoonsnaam Jaap.

jagen

jagen: < OFries. jagia.

Jahwe

Jahwe: < Jehova, de naam van God wordt in het Hebreeuws jhwh gespeld want de vocale tekens mogen niet worden uitgesproken behalve op Grote Verzoendag door de hogepriester in de voorhof van de tempel.

jak

jak: < MNl. jakeboenhomme < Fr. Jacques Bonhomme benaming van een boer.

jaloers

jaloers: < OFr. jaloux < L. zelosus aanhanger.

jaloezie

jaloezie: < Fr. jalousie optrekbaar zonnescherm < It. gelosia een gordijn dat tegen inkijken diende.

jam

jam: < Eng. yam < Port. inhame van Senegalees nyami eten.

Jamaicaan

Jamaicaan:< Arowak ( Jamaicaans ) xaymaca land van de bos en water.

janken

janken: < MNl. janken, klanknabootsing.