maag

maag: < ON. magi.

maagd

maagd: < MNl. meecht jonkvrouw, dienstmaagd < OE. mœgd (maiden) < G. magaþs maagd.

maal

maal: < MNl. mael tijd, keer ON. māl tijdstip.

maalstroom

maalstroom: < malen < L. molere fijn maken + stroom < OI. sravati hij vloeit.

maandag

maandag: < L. dies lunae dag van de maan.

maar

maar:< MNl. samenvoeging van nemare en neware, ne + ware.

maart

maart: < L. Martius van Mars de oorlogsgod. Oorspronkelijk was maart de eerste maand van het jaar.

machine

machine: < L. machina werktuig, toneelmachine < Gr. mèchanè middel, kunstvaardigheid, werktuig.

macht

macht: < Got. mahts vermogen.