na

na: < MNl. na volgend op, nabij < Got. nehwa nabijzijnd.

naald

naald: < ON. nal.

naam

naam: < L. noma.

naamwoord

naamwoord: < naam < L. noma. + woord < L. verbum < Gr. eirein zeggen.

naar¹

naar¹: < ON. norr nauw.

naar²

naar²: < vergrotende trap van na.

naargelang

naargelang: < MNl. na gelange reiken tot, bereiken.

nagenoeg

nagenoeg: < na < MNl. na volgend op, nabij < Got. nehwa nabijzijnd + genoeg < Got. ganohs voldoende.