zaag

zaag: < MNl. saghe < ON. sog zaag.

zaaien

zaaien:< MNl. saeyen < OE. sawen < L. serere.

zaak

zaak:< MNl. sake rechtzaak, oorzaak < ON. sok < L. sagire opsporen.

zaal

zaal: < MNl. sale groot huis, woning < Got. saljan onderkomen, overnachten.

zacht

zacht: < MNl. sachte.

zachtaardig

zachtaardig: < zacht: < MNl. sachte + -aardig < aard < MNl. aert beploegde of bebouwde grond < OE. eard woonplaats < L. aro ploegen. + -ig < L. -cus toont dat een ander deze eigenschap heeft.

zadel

zadel: < MNl. sadel < ON. soðull.

zak

zak: < MNl. sac < Got. sakkus < L. saccus zak.

zakelijk

zakelijk: < zak < MNl. sac < Got. sakkus < L. saccus zak + -lijk < Gr. -leiks lijk¹, van deze soort.